Startpagina | Zoeken | Soort identificeren | Taxonomische boom doorbladeren | Quiz | Over deze website | Geef uw mening
 
Stromend water biotopen

STROMENDE WATEREN ALS BIOTOOP

Rheofiele libellensoorten zijn in Nederland veel minder beeldbepalend dan in de meeste andere landen. Bovendien is de fauna van stromend water bijzonder in kwaliteit aangetast door de sterke degradatie van deze biotopen. Alhier wordt een onderscheid in grote rivieren, laaglandrivieren, bergbeken en laaglandbeken gemaakt.

Grote rivieren
De fauna van de grote rivieren is in Nederland grotendeels al in de l9e eeuw verdwenen. Dit wordt treffend geïllustreerd aan de hand van de karakteristieke soort Gomphus flavipes (fig. Gflavipl.tif). Deze libel is in 1902 voor het laatst in Nederland verzameld (bij Rotterdam). Op rustige plaatsen waar modder werd afgezet, leefde toen ook nog Ophiogomphus cecilia (fig. Ocecilil.tif) (o.m. aan de Maas) (naar Uyttenboogaart et al.,1918). Nu treft men van de oorspronkelijke soorten alleen nog Platycnemis pennipes (fig. Ppennipl.tif) en Ischnura elegans (fig. Ieleganl.tif) aan.

Laaglandrivieren
De fauna van laaglandrivieren is in ons land eveneens sterk achteruitgegaan. In de tijd dat riviertjes als de Drentsche Aa, de Dinkel, de Berkel, de Mark, en de Aa, nog hun oorspronkelijk karakter hadden, is helaas weinig onderzoek in dit type biotoop verricht. Min of meer karakteristieke soorten die zich in deze wateren voortplanten zijn Calopteryx splendens (fig. Csplendl.tif), Platycnemis pennipes (fig. Ppennipl.tif) en Cercion lindenii (fig. Clindenl.tif). Op het ogenblik komen eerstgenoemde twee nog plaatselijk vrij algemeen voor, doch vaak ook zijneurytope soorten als Ischnura elegans (fig. Ieleganl.tif) daarvoor in de plaats gekomen of ontbreken libellen geheel (naar Geijskes, 1932; Dvorak, 1972; Dutmer, 1977).

Bergbeken
Bergbeken, zoals de Gulp en de Geul, zijn in ons land alleen in Zuid-Limburg te vinden. Karakteristieke rheofiele soorten die zich aldaar voortplanten zijn Calopteryx splendens (fig. Csplendl.tif), C. virgo (fig. Cvirgol.tif), Platycnemis pennipes (fig. Ppennipl.tif) en (zeldzaam) Cercion lindenii (fig. Clindenl.tif). Bij iets lagere stroomsnelheden kunnen diverse Gomphiden als Gomphus vulgatissimus (fig. Gvulgatl.tif) en Ophiogomphus cecilia (fig. Ocecilil.tif) voorkomen. Op rustiger plaatsen van grotere beken kunnen o.m. Calopteryx splendens (fig. Csplendl.tif) en Platycnemis pennipes (fig. Ppennipl.tif) worden aangetroffen.
De bovenlopen van dergelijke beken hebben, in ongestoorde toestand, een karakteristieke soortensamenstelling, met soorten als Cordulegaster boltonii (fig. Cboltonl.tif) en Orthetrum coerulescens (fig. Ocoerull.tif). Ook Somatochlora metallica (fig. Smetalll.tif) kan soms worden aangetroffen. In kleinere beken in bossen komt ook Calopteryx virgo (fig. Cvirgol.tif) voor.

Laaglandbeken
Laaglandbeken onderscheiden zich van bergbeken door een geringer verval en een modderige i.p.v. stenige bodem. Als karakteristieke soorten van laaglandbeken zijn Oxygastra curtisii, Libellula fulva (fig. Lfulval.tif), Calopteryx splendens (fig. Csplendl.tif) en Platycnemis pennipes (fig. Ppennipl.tif) te beschouwen. De larve van eerstgenoemde frequenteert modderige plaatsen in stromende wateren. Tegenwoordig zijn, door normalisatie, eurytope soorten vaak dominant, zodat larven van soorten als Ischnura elegans (fig. Ieleganl.tif), Pyrrhosoma nymphula (fig. Pnymphul.tif), Coenagrion puella (fig. Cpuellal.tif), C. pulchellum (fig. Cpulchet.tif) en Lestes sponsa (fig. Lsponsal.tif) veelvuldig worden aangetroffen. Bij de bovenloopjes van enkele laaglandbeken in Noord-Brabant wordt Cordulegaster boltonii (fig. Cboltonl.tif) aangetroffen, terwijl elders ook Somatochlora metallica (fig. Smetalll.tif) is vastgesteld (naar Moller Pillot, 1971; Eb. Schmidt, 1971).

(naar Geijskes & van Tol, 1983)