Startpagina | Zoeken | Soort identificeren | Taxonomische boom doorbladeren | Quiz | Over deze website | Geef uw mening

Leucorrhinia albifrons (Burmeister, 1839)
Oostelijke witsnuitlibel

Omschrijving [laatste larvale stadium, (fig. Lalbifrl.tif)]
(naar Aguesse, 1968; Heidemann & Seidenbusch, 1993; Robert, 1958; Er. Schmidt, 1936b; Velthuis, 1960)

Matig grote larve met ovaalrond abdomen, vrij slank. Lengte 17 tot 20 mm.

Kop: [(fig. Leuc.tif), algemene kopvorm]. Ogen uitpuilend, naar achteren iets uitstekend. Masker reikend tot basis van middelste pootpaar; aan de basis smal, naar het distale einde sterk verbreed. Prementum met 14 + 14 of 15 + 15 setae; labiale palpen met 12 + 12 setae.

Thorax: Poten lang endun, femora met drie zwakke donkere ringen.

Abdomen: Dorsaal gevlekt, ventraal met donkere dwarsbanden of vlekken. Dorsale doornen op abdominaal segmenten III tot VII (indien aanwezig op achtste segment, dan zeer klein) [(fig. Lalbifr2.tif), abdomen (lateraal)]. Laterale doornen ontbreken op segmenten V tot VII, en zijn wel aanwezig op segmenten VIII en IX, de laatste lang, doch niet het einde van de appendices bereikend [(fig. Lalbifr3.tif), abdomen (ventraal)].
Sternieten van segmentenVII en VIII met goed ontwikkelde borstelranden.

Anaal aanhangsels: Mannetjes herkenbaar aan een enigzins twee-lobbig geproduceerde dorsale lob tot ongeveer halverwege de epiproct.

Adulten

(fig. Lalbifrf.tif), adult vrouwtje
(fig. Lalbifrm.tif), adult mannetje

Levenswijze

Komt op dezelfde plaatsen voor als L. caudalis, maar altijd enige weken later. Het is een bewoner van moerassen bedekt met waterlelies, omgeven door bos. Robert (1958) vond haar ook in afgesneden rivierarmen van de Aare in Zwitserland.

Het eierleggen

Over het voortplantingsgedrag is niet veel bekend.

Larvale ontwikkeling

Over de larvale ontwikkeling is niet veel bekend. Velthuis (1960) noemt een larvale ontwikkeling van twee jaar.

Vliegtijd

In Nederland van eind mei tot begin augustus.

Verspreiding

In Nederland zeer zeldzaam aan vennen in Noord-Brabant (Oisterwijk, Valkenswaard), Gelderland en Twente. Komt uitsluitend voor in ongestoorde vennen en hoogveenplassen. Fortuin (1956) noemt de soort 'zeer algemeen' voor de omgeving van Eindhoven. In 1994 nog waargenomen bij Aekinga (Fries-Drentse grens), dus nog niet uitgestorven in Nederland. (zie ook Wasscher et al., 1995)
(fig. Lalbif50.tif), 1 uurhok, 5 waarnemingen, periode tot 1950
(fig. Lalbif90.tif), 4 uurhokken, 6 waarnemingen, periode 1950 t/m 1989
(fig. Lalbif95.tif), 1 uurhok, 1 waarneming, periode 1990 t/m 1994

Fauna-element

(subspecies albifrons): Pontokaspisch, met een zeer geringe uitstraling in zuidelijke richting. De soort is verspreid over Noordoost-Europa, het gebergte van Midden-Europa, Zuid-Skandinavië, Oost-Duitsland en Rusland tot rond de Kaspische Zee. In West-Duitsland in Hessen en Beieren sporadisch. Verder in Oost-Frankrijk (Lotharingen) en in Zwitserland. Niet bekend uit België, Engeland en Denemarken. De meer oostelijke populaties in Siberië worden door Belyshev (1973a) als de ondersoort L. albifrons obensis onderscheiden.

(bewerkt naar Geijskes & van Tol, 1983)

Oostelijke witsnuitlibel (Leucorrhinia albifrons)