Startpagina | Zoeken | Soort identificeren | Taxonomische boom doorbladeren | Quiz | Over deze website | Geef uw mening
 
Holometabola

De meeste soorten insecten behoren tot de grote groep met een volledige metamorfose of Holometabola. Kenmerkend voor deze groep is dat het larvestadium er doorgaans heel anders uitziet dan het volwassen dier en dat er zich een popstadium tussen die twee stadia bevindt. In de pop vinden er diep ingrijpende veranderingen plaats. Intern wordt bijvoorbeeld het hele darmstelsel omgebouwd, omdat het volwassen dier van heel ander voedsel leeft dan de larve. Uiterlijk is goed te zien dat alle aanhangsels die bij de voortbeweging zijn betrokken geheel van bouw veranderen en worden aangepast aan een heel ander leven. Het popstadium is als het ware een tussenstation dat de larve voorbereidt op een heel andere leefomgeving en/of levenswijze als imago. Hoewel er gedurende het popstadium niet wordt gegeten en er een aantal insecten als pop overwinteren of overzomeren en dan de ontwikkeling tot adult tijdelijk stopzetten, moet het popstadium beslist niet als ruststadium worden gezien. Men onderscheidt verschillende typen poppen. In de primitieve holometabole insecten, zoals de kameelhalsvliegen (126 2c g), liggen de aanhangsels vrij langs het lichaam. Zij kunnen in vele soorten ook bewegen. De pop is in staat om een eindje te lopen en lijkt als het ware een beetje op een nimf van een hemimetabool insect. In de meer geavanceerde groepen liggen de aanhangsels bewegingsloos dicht tegen het lichaam of zij zijn in de pop opgenomen. De pop is hulpeloos (368 1d g) en kan zich nauwelijks bewegen en hooguit wat kronkelen met het achterlijf. Een goed voorbeeld zijn hierin de vlinders. Een bijzondere vorm van verpopping wordt gevonden bij de vliegen (Diptera) (238 3c g). Hierbij vervelt de larve niet tot pop, maar vindt de verpopping plaats binnen de laatste larvenhuid. Als de larvenhuid verhardt ontstaat er een vliegentonnetje of puparium, waarin zich binnen de zachte en kwetsbare pop bevindt. Omdat veel insecten gedurende het popstadium zeer kwetsbaar zijn hebben diverse groepen zich heel verschillend aanpast om niet uit te drogen en/of niet door roofvijanden en parasieten te worden geconsumeerd. Voor de verpopping verbergen veel larven zich in gaten in hout of spleten in muren en rotsen of graven zich in de grond in. De poppen van steekmuggen en verwanten daarentegen leven, evenals de larven, vrij in het water en kunnen door krachtige bewegingen van het achterlijf snel weg zwemmen en zo ontsnappen aan roofvijanden. Een ander verdedigingsmechanisme is camouflage. Veel poppen van dagvlinders hangen onopvallend tussen takken en lijken op dode bladeren. Als zij toch worden gevonden en aangeraakt kunnen zij plotseling een snelle kronkel met hun achterlijf maken en zo een vijand mogelijk nog van zich afschudden. De meest bekende vorm van beschutting is het spinnen van een cocon (368 1d g), vooral bekend door de uit China afkomstige zijderups. In veel insectengroepen heeft zich de mogelijkheid tot het spinnen van een cocon onafhankelijk ontwikkeld. Zo spinnen de larven van vele soorten netvleugeligen, muggen, vliesvleugeligen, schietmotten en nachtvlinders of motten op geheel unieke wijze een cocon. Cocons zijn dan ook zeer vormenrijk en het is, zelfs voor een geoefend entomoloog, lang niet altijd even makkelijk een cocon van een bepaalde groep insecten te herkennen. Sommige poppen dienen zich eerst uit hun cocon te bevrijden om later als adult rond te vliegen. Bij schietmotten worden poppen aan het einde van de poptijd beweeglijk en bevrijden de dieren zich uit het cocon naar het wateroppervlak om daar te vervellen tot imago. De vrijwel onbeweeglijke vlinderpop (408 1e g) kan dat niet en bevrijdt zich doorgaans door aan de voorkant vloeistof met enzymen uit te stoten die spinseldraden oplossen, zodat de vlinder naar buiten kan komen. Wespen en bijen (316 1f g) doen het weer anders; zij vervellen binnen het cocon en bijten het als adult open.

Naast de drie onderscheiden basistypen in de metamorfose zijn er een aantal overgangsgebieden. Bij de hemimetabole bladluizen, schildluisachtigen en witte vliegen (orde Homoptera) bestaat er een vrijwel bewegingsloos laatste larvestadium dat aan een tonnetjespop of puparium van vliegen (orde Diptera) doet denken. Zij lijken in dat opzicht een beetje op holometabole insecten. Ook tripsen (orde Thysanoptera) hebben een ingewikkelde, nimfale ontwikkeling met een of meer ruststadia die aan een soort popstadia doen denken. Bij sommige parasitair levende kevers (orde Coleoptera) zijn de larvenstadia zeer verschillend. Zo hebben de niet direct verwante keverfamilies, oliekevers (familie Meloidae) en waaierkevers (familie Ripiphoridae), binnen opéénvolgende stadia een inactief, vrijwel pootloos stadium dat zich gedraagt als pop. Het daarop volgende stadium is weer een actieve larve. Zij kan zich verplaatsen en/of een cocon spinnen waarin uiteindelijk de echte verpopping plaatsvindt. Men spreekt hier wel van een hypermetamorfose of hypermetabolie.