Startpagina | Zoeken | Soort identificeren | Taxonomische boom doorbladeren | Quiz | Over deze website | Geef uw mening

Spanwijdte vleugels (mannetje) 11-15 mm, Lengte 3-5 mm, september-oktober

Kenmerken
Kleine, onopvallende schietmot met een duidelijke, seksuele dimorfie. Het mannetje (326 1a g, onderste dier) heeft een zwart lichaam met eveneens zwarte, uitstekende palpen en normaal ontwikkelde, lichtbruine vleugels met een contrasterend zwart adernet. De poten zijn grotendeels ook bruin. Het vrouwtje (326 1a g, bovenste dier, 326 1b g) met sterk gereduceerde vleugels, die als een soort lapjes langs het lichaam hangen en een glanzend zwart lichaam met tergieten met bruine punten die zo aan weerszijden een bruine lengtestreep op het achterlijf doen ontstaan. Familie Limnephilidae.

Voorkomen
Vooral op de bodem in vochtige bossen, b.v. elzenbroekbos, ook langs schaduwrijke oevers van bosbeken. Zeldzamer in drogere bossen, b.v. beukenbossen. Vrij algemeen in Nederland, b.v. op de Veluwe in het bladstrooisel van vochtig eikenbos, ook in België te vinden. Aan deze soort kan een typisch atlantisch verspreidingspatroon worden toegeschreven.

Levenswijze
Door haar verborgen levenswijze wordt deze soort vaak over het hoofd gezien, ook daar waar zij niet zeldzaam is. Samen met de hier ook behandelde Enoicyla reichenbachi is zij de enige West-Europese schietmot die zich geheel buiten het water ontwikkelt.
De imago's verschijnen pas laat in het seizoen en zijn pas vanaf september te vinden. De dieren houden zich voornamelijk op aan de onderkant van boomstammen en rond liggende stammen. De mannetjes kan men met een schepnet gemakkelijk uit het gras of tussen het gevallen loof opscheppen om nader te bekijken. De vrouwtjes zijn echter maar 3 mm lang en worden gemakkelijk over het hoofd gezien of met een springstaart verwisseld. Bij jonge vrouwtjes is het achterlijf nog opgezwollen met eieren en zij kunnen nog dubbel zo lang zijn. Na de eileg schrompelt het achterlijf inéén en lijken ze veel kleiner (326 1b g). Het mannetje gaat vliegend op zoek naar vrouwtjes. Na de paring legt het vrouwtje de eitjes in geleipakketjes tussen het bladstrooisel op de bodem en sterft kort daarna. Onder de invloed van de relatief vochtige lucht zwelt het geleiachtige omhulsel op tot een glasachtig lensje van 5 mm doorsnede (326 1c g). In de loop van oktober komen de larven uit. Ze beginnen meteen met het bouwen van een kokertje uit zandkorrels, dat van achteren taps toeloopt. De larven leven van mossen en algen op gevallen bladeren en bereiken nog voor het begin van de winter een lengte van 3 mm. Als in het voorjaar de temperaturen beginnen te stijgen groeien zij verder en bereiken in mei of juni hun maximale grootte van ca. 8 mm. (326 1d g). Tijdens de zomermaanden gaan zij in rust, maar vanaf de tweede helft van de zomer kunnen zij beginnen met het spinnen van de cocon voor de verpopping. De koker wordt voor de verpopping gesloten met een deksel van spinsel en zandkorrels. Na het uitkomen kan men de lege kokertjes vinden door bladstrooisel rond boomstammen te zeven. Lang niet alle kokerjuffers bereiken de volwassen staat. Velen worden slachtoffer van droogte in de zomer en weer anderen vallen ten prooi aan roofvijanden en sluipwespen, b.v. Pteroscopus trifasciatus.

Enoicyla pusilla