Startpagina | Zoeken | Soort identificeren | Taxonomische boom doorbladeren | Quiz | Over deze website | Geef uw mening

rosse metselbij

Lengte 8-12 mm, maart-juni.

Kenmerken
Kleur donkerbruin met duidelijk groene metaalglans op de chitinehuid. Beharing vrouwtje op gezicht zwart, op borststuk en voorste 3 achterlijfssegmenten lichtbruin met zwarte achterlijfspunt. Buikschuier gelig. Op voorkant van de kop 2 afgestompte hoorns (302 1a g), die bij de mannetjes ontbreken. Mannetjes met lichtgele gezichtsbeharing en duidelijk langere voelsprieten.

Voorkomen
Bijna overal op open plekken met nestmogelijkheden. Veel in steden en dorpen.

Levenswijze
De soort gaat bij de keuze van de nestplaats zeer opportunistisch te werk. Wel heeft ze een voorkeur voor langwerpige holle ruimten met een doorsnede van ongeveer 0,5-0,8 cm, b.v. oude vraatgangen van keverlarven. De bij laat zich makkelijk lokken in nestblokken met voorgeboorde gaten (302 1b g) of in bamboestokken (302 1a g, 302 1c g). Ze nestelt verder in holle ruimten onder vensterbanken, in tabakspijpen en sleutelgaten. De bij nestelt graag in groepen, maar ieder vrouwtje zorgt voor haar eigen nest. Voor de start van de nestbouw wordt de nestruimte schoongemaakt, waarbij het materiaal van eventueel aanwezige oude broedcellen uit de nestgang wordt geveegd. Daarna bouwt het vrouwtje, als het een langwerpige, cilindrische holle ruimte betreft, kort voor het eind van de gang eerst een ongeveer 2 mm dik wandje en een 1-2 mm hoge drempel ter hoogte van de plek waar het wandje van de broedcel gaat komen. Als bouwmateriaal gebruikt de bij leem dat met speeksel en water week wordt gemaakt en in de vorm van ongeveer 2 mm grote kogeltjes naar het nest wordt gedragen. Daar wordt het als cement verwerkt. Daarna wordt stuifmeel en nectar binnengebracht. De bij kruipt eerst met de kop naar voren de nestgang binnen en braakt de nectar uit. Daarna verschijnt ze weer voor de nestopening, draait zich om en schuift nu het achterlijf in de broedcel om het stuifmeel uit de buikschuier te borstelen. Als de broedcel voor de helft is gevuld legt het vrouwtje een ei en sluit de voorkant van de broedcel met een leemwandje af ter hoogte van de drempel. Zo kan er per dag een broedcel worden gebouwd, zodat er na enige dagen een lineair nest ontstaat met soms meer dan 10 broedcellen. Tenslotte wordt het nest met een extra massieve leemwand afgesloten. (NB In brede, holle ruimten (b.v. vogelnestjes) wijkt O. rufa van de typische lineaire nestbouw af en bouwt onregelmatig gevormde hoopjes van broedcellen.)
In iedere broedcel is in de kruimelige en droge mix van stuifmeel en nectar een ei gelegd (302 1d g). De larve komt na enige dagen uit het ei. Ze blijft in het begin met het achtereind in de voedselvoorraad verankerd en neemt voedsel op door het voorste deel van haar lichaam sterk naar beneden te krommen (302 1e g). Na 1-2 weken maakt de larve zich los van haar sokkel, draait zich om en eet de rest van het voedsel op. Na een week of vijf, als al het voedsel is opgegeten spint de larve een violetbruin cocon om te verpoppen (302 1f g). Midden in de zomer vind de verpopping plaats en nog voor de eerste koude periode van het najaar is de volgende bijengeneratie uit, maar die blijft in het beschermende cocon om te overwinteren. Pas in het begin van het volgend voorjaar komt de nieuwe generatie uit. Bijenvrouwtjes kunnen net als de meeste andere vliesvleugeligen de sekse van hun nakomelingen bepalen door het ei wel of niet te bevruchten met sperma dat in het lichaam is opgeslagen. De mannetjes ontwikkelen zich namelijk parthenogenetisch (zonder vader!) uit onbevruchte eieren en de vrouwtjes, zoals gebruikelijk, uit bevruchte eieren. Metselbijen leggen in de regel in de eerste groep broedcellen dochters en in de later aangelegde kamers zonen. Zo maken de eerder uitkomende mannetjes de weg vrij voor de vrouwtjes.

Rosse metselbij (Osmia rufa)