Startpagina | Zoeken | Soort identificeren | Taxonomische boom doorbladeren | Quiz | Over deze website | Geef uw mening

tripsen

Kenmerken
Tripsen zijn zeer kleine tot kleine, donker gekleurde, hemimetabole insecten met een slank en afgeplat lichaam en gewoonlijk twee paar smalle vleugels met lange franje (thysanos= franje). De lichaamslengte varieert van 0,5 tot 12 mm, maar de meeste soorten worden 4-5 mm lang.
De kop draagt een paar kleine, maar opvallende facetogen en bij gevleugelde tripsen 3 ocellen. De voelsprieten zijn vrij kort en staan dichtbij elkaar ingeplant vooraan in de kop; ze hebben 6-10 segmenten. De korte mondkegel of snuit is hoofdzakelijk opgebouwd uit de onder- en bovenlip. De stekende of borende monddelen zijn asymmetrisch; de rechter mandibel is rudimentair, terwijl de borende stiletten zijn afgeleid uit de linker, stiletvormige mandibel en de beide maxillen. De zuigsnuit is omgeven door de bovenlip en de onderlip en onder aan de kop ingeplant.
De prothorax is duidelijk zichtbaar, maar de meso- en metathoracale segmenten zijn geheel versmolten. De poten zijn vrij kort en de tarsen 2-ledig. De pretarsus heeft een uitstulpbare blaas, die door bloeddruk kan worden opgeblazen tot een soort ballonnetje. Daarmee kan de trips zich stevig hechten aan verschillende substraten.
Als er vleugels aanwezig zijn, zijn deze zeer smal en met weinig of geen aders. De voor- en achterrand is bezet met franje van relatief lange haren, die het oppervlak van de vleugels meer dan verdubbelen. De vleugels zijn onderling verbonden door kleine haakjes op de achtervleugel. Veel soorten tripsen zijn ongevleugeld, maar de vleugelontwikkeling is erg variabel; zelfs binnen een soort kunnen er gevleugelde en ongevleugelde exemplaren bevinden binnen een populatie. Ook kortvleugelige tripsen komen voor.
Het achterlijf is lang en meestal cilindervormig. Cerci ontbreken. Vrouwtjes hebben een goed ontwikkelende, zaagvormige legboor.
Veel soorten tripsen zijn bruinig tot donkerzwart van kleur. Er komen ook lichtere soorten voor met gekleurde camouflagebanden.

Tripsen zijn zo klein dat ze bijna door niemand worden opgemerkt, tenzij er eentje bij een wandel- of fiets tocht in je oog komt. In de zomermaanden is er echter bijna geen bloem te vinden zonder tripsen. Vooral in paardenbloemen of madeliefjes kunnen er wel enige tientallen voorkomen. Bij warm, onweersachtig weer kunnen zij bij duizenden gaan vliegen en staan daarom bekend als 'onweersbeestjes'. Sommige tripsen prikken de mens voelbaar in de huid zonder enige letselschade of napijn.

Voorkomen
Wereldwijd verspreid. Er zijn ongeveer 5000 soorten bekend. Geschat wordt dat dit ongeveer de helft moet zijn van het werkelijke aantal soorten. In Europa komen er ongeveer 300 soorten voor plus tientallen exoten die geïmporteerd zijn met planten en bomen van elders. De tripsen uit warme streken kunnen dikwijls goed overleven op bepaalde gewassen en potplanten in verwarmde kassen. In Nederland en België worden circa 150 soorten tripsen gevonden uit de families Aeolothripidae, Thripidae en Phlaeothripidae.

Habitat
Alle soorten leven op de vegetatie en zijn gebonden aan bepaalde waardplanten. Veel soorten houden zich op in bloemhoofdjes, bijvoorbeeld tussen de lintbloemen van composieten, maar ze kunnen ook op fruit, tussen de bladscheden van grassen, onder mos of schors en op de grond tussen afgevallen bladeren worden gevonden. Door hun geringe afmeting leven de meeste soorten verborgen vaak tussen de bladeren of langs de nerven van bladeren.

Levenswijze en voortplanting
De meeste Thysanoptera zijn fytofaag. Ze voeden zich door plantencellen te doorboren met de stiletten en er sap aan te onttrekken. Andere soorten zuigen aan schimmels, algen op rottend hout of aan sappen van het (rottend) hout zelf. Een minderheid is carnivoor. De zogenaamde rooftripsen prederen op andere tripsen, kleine insecten en hun eieren en larven, mijten en rondwormen of aaltjes (Nematoda).
Tripsen produceren vrij grote, gladde eieren. Een ei is ongeveer een vijfde van de lengte van de moeder. De eieren worden één voor één of dicht naast elkaar in bladeren of schors gelegd in sneetjes die met de zaagvormige legboor zijn gemaakt. Na ovipositie worden er voortdurende nieuwe sets eieren aangemaakt. De eerste twee nimfale stadia lijken op een verkleinde uitgave van de adulten zonder vleugels of vleugelkussentjes. De poten bezitten nog 2 klauwtjes. In het derde stadium verschijnen de vleugelkussentjes waaruit later de vleugels ontwikkelen. Dit stadium is in de onderorde Terrebrantia een prepupa die echter nog wel in staat is zich te voeden. Het vierde stadium lijkt op een pop en voor de vervelling kan zelfs een soort cocon worden gesponnen. Bij de onderorde Tubulifera kan het vierde stadium weer een prepupa zijn (prepupa II) en wordt het echte popstadium pas bereikt in het vijfde stadium. Poppen kunnen zich niet voeden. Prepupae en echte poppen lijken erg op de adulte stadia, vandaar dat er niet over een volledige gedaanteverwisseling kan worden gesproken.
In de streken met een gematigd klimaat zijn het vaak de adulte vrouwtjes die overwinteren onder schors, in bladafval en oude vogelnesten. Bij veel soorten is het mannetje onbekend. Thelytoke parthenogenese is heel gewoon onder tripsen. Elaphotrips tuberculatus is facultatief ovovivipaar en brengt soms groepjes levende jongen voort, maar onder andere omstandigheden worden er eieren gelegd. Uit de vivipaar geborenen ontwikkelen zich vaak mannetjes en uit de eieren vrouwtjes. Veel soorten tripsen zijn multivoltien.

Tripsen kunnen in geweldig grote aantallen voorkomen en in bepaalde gevallen aanzienlijke schade aanrichten aan cultuurgewassen, zoals potplanten en sierbloemen, vooral in kassen, maar ook aan tuinbouwgewassen op akkers.
Schadelijke tripsen zijn onder andere:
Kakothrips robustes - de erwtentrips
Thrips fuscipennis - rozentrips
Thrips tabaci - tabakstrips
Frankliniella occidentalis - Californische trips
Echinothrips americanus
Parthenothrips dracenae - palmentrips

Tripsen prikken de bladcellen van het oppervlakteweefsel aan en zuigen deze leeg. Dit veroorzaakt op de bladeren zilvergrijze vlekken met kleine donkergroene vlekjes erin. Dit zijn de uitwerpselen. De erwtentrips is verantwoordelijk voor het gevlekte, zilverachtige uiterlijk van erwtenpeulen. Een aangetaste plant kan minder goed assimileren, groeit daardoor slecht en heeft een verminderde productie aan bloemen en vruchten. Bij ernstige aantasting kunnen de bladeren zelfs helemaal verdrogen. Er zijn ook tripsen die gallen maken en die verantwoordelijk zijn voor allerlei ongewenste vervormingen van bladeren waardoor de planten ook in hun groei worden geremd.
Tripsen kunnen net als cicaden en bladluizen plantenvirussen overbrengen. Het meest bekende virus dat wordt overgebracht wordt is het tomatenbronsvlekkenvirus (TSWV). Verantwoordelijk voor de transmissie is vooral de Californische trips. Het virus veroorzaakt vooral veel schade in Mediterrane streken.
Tripsen worden tegenwoordig met redelijk successen biologisch bestreden door natuurlijke vijanden in het gewas los te laten, zoals de roofmijten Amblyseius degenerans en A. cucumeris en de roofwantsen Orius insidiosus, O. laevigatus en O. majusculus. Ook is er een entomofage schimmel, Verticillium lecanii-m, tegen trips in de handel. Ook rooftripsen worden gebruikt om schadelijke tripsen te bestrijden, maar deze zijn helaas over het algemeen niet zo effectief.

Systematiek
Binnen de Thysanoptera worden 2 onderordes onderscheiden: de Terebrantia met 7 families en de Tubulifera met maar 1 familie.
De Thysanoptera worden enerzijds beschouwd als een sterk gespecialiseerd taxon met Psocoptera-achtige voorouders. Anderzijds wijst de ontwikkeling van een zuigsnuit en het ontbreken van abdominale cerci op kenmerken die ze delen met de Hemipteroiden (wantsen, cicaden en plantenluizen): de Hemipteroide assemblage. Bij sommige plantenluizen (Sternorrhyncha) is er ook een popachtig stadium in de ontwikkeling. Dit kan op convergente evolutie duiden bij insecten die in eenzelfde soort habitat leven. In beide gevallen is er vermoedelijk geen sprake van gedeelde afstammingslijnen met insecten met een holometabole gedaanteverwisseling.

De Terebrantia worden kenmerkt door de aanwezigheid van een zaagvormige legboor; bij de Tubulifera is het achterlijf buisvormig verlengd zonder legboor. In de Terebrantia bevinden zich de families met de schadelijke soorten. De weinig afgeplatte en breedvleugelige Aeolothripidae zijn vaak gekenmerkt door gekleurde banden op de vleugels en een omhoog gerichte legboor. De soortenrijke Thripidae zijn dikwijls donker gekleurd en hebben een omlaag gerichte legboor. De Tubulifera (familie Phlaeothripidae) zijn vaak veel groter dan de Terebrantia en hebben forse lichamen en zijn vaak schimmeleters of carnivoren. Binnen de Phlaeothripidae komen vrijwel geen schadelijke soorten voor.

Behandelde taxa
Onderorde Terebrantia
Familie Thripidae
Parthenothrips dracenae (palmentrips)

Tripsen (Orde Thysanoptera)