Startpagina | Zoeken | Soort identificeren | Taxonomische boom doorbladeren | Quiz | Over deze website | Geef uw mening

Lengte 23-40 mm, juli-september

Kenmerken
Zeer grote, opvallende bont gekleurde grasprinkhaan. Grondkleur gelig tot olijfbruin met gele en zwarte tekeningen. Achterschenen helder rood en aan de basis met een zwarte en een gele ring. Achtervleugels zwartbruin. Vrouwtje (090 1 g, rechts) met duidelijk verkorte vleugels.

Voorkomen
Alpine soort komt tot boven de 2000 m voor op vegetatiearme, droge bergweiden en heiden. Lokaal tamelijk algemeen. Noordelijkste populaties in Zuid-Duitsland: Augsburg (Beieren), Schwäbische Alpen (Baden-Württemberg). Niet in Nederland en België.

Levenswijze
Voor Midden-Europa is dit een bijzonder groot insect. De zeer goed vliegende mannetjes produceren een ratelgeluid bij het wegvliegen. Na de landing wrijven ze vaak kort met de achterpoten langs de vleugels wat een knarsend geluid oplevert. De herkomst van dit geluid kan experimenteel makkelijk worden gedemonstreerd door bij een gevangen exemplaar de achterpoten voorzichtig tegen de vleugel te drukken en heen en weer te bewegen. Mannetjes produceren op een dergelijke manier ook nog een sissende snortoon naast het normale stridulatiegeluid (Acryptera fusca).

Acryptera fusca