Startpagina | Zoeken | Soort identificeren | Taxonomische boom doorbladeren | Quiz | Over deze website | Geef uw mening

bijen

Kenmerken en voorkomen
De bijen zijn in lichaamsbouw verwant aan de graafwespen: de achterhoeken van het eerste mesosomale segment of pronotum (achter de kop) reiken niet tot aan de vleugelschubjes of tegulae. Op het eerste gezicht lijken veel bijensoorten op elkaar. Vele soorten zijn dicht behaard, maar er zijn er ook met een kaal of spaarzaam behaard lichaam en met een geel-zwart getekend uiterlijk, dat meer aan een wesp doet denken, of met een eigenaardige witte, viltige tekening. Er worden 7 onderfamilies onderscheiden en er zijn ongeveer 375 soorten bekend uit Nederland en België.

Zandbijen van de onderfamilie Adreninae hebben een vrij korte tong en dragen verzamelharen voor het transport van stuifmeel aan de achterpoten. De voorvleugel van zandbijen heeft 3 submarginale cellen en slechts een zeer zwak gebogen basale ader (loopt schuin van het midden tot aan de rand van de vleugel). Ongeveer 90 soorten in Nederland en België.

De bijen van de onderfamilie Anthophorinae hebben vaak een hommelachtig uiterlijk met dichte beharing en een lange tong. De vele broedparasitaire soorten zijn echter zwak behaard en hebben meestal een wespachtig uiterlijk en heten daarom wespbijen. In Nederland en België ongeveer 70 soorten.

Hommels (Bombus) vormen met ongeveer 40 soorten in Europa het belangrijkste genus van de onderfamilie Apinae. Tot de Apinae worden verder de honingbijen (Apis) gerekend met de honingbij, A. mellifera, als enige Europese vertegenwoordiger. Met uitzondering van de broedparasitaire koekoekshommels (vroeger in een apart genus Psithyrus geplaatst), leven alle hommels en honingbijen in staten: sociale levensvormen met een koningin die de eieren legt, steriele werksters die voornamelijk het broed verzorgen en mannetjes die geen bijdrage leveren aan het groot brengen van de nakomelingen. Hommels zijn relatief grote bijen met een stevige lichaamsbouw en een zeer dichte, pelsachtige beharing. Ze zijn van de Anthophorinae te onderscheiden doordat de ogen ver verwijderd van de kaken zijn ingeplant en doordat de vrouwtjes in bezit zijn van een stuifmeelverzamelapparaat, dat bestaat uit een borstel op het eerste voetlid (metatarsus) van de achterpoten en een ' korfje' op de buitenzijde van de schenen van de achterpoten. Het korfje bestaat uit een glad en glimmend oppervlak, dat zijdelings wordt begrensd door een rij lange gebogen borstels. Bij koekoekshommels die parasiteren op andere hommels is het verzamelapparaat vaak secundair gereduceerd. In Nederland en België worden ongeveer 22 soorten gevonden.

Tot de soorten van de onderfamilie Colletinae, ook wel oerbijen genoemd, behoren soorten die nauwelijks gespecialiseerde stuifmeelverzamelorganen hebben ontwikkeld. Het stuifmeel wordt in bepaalde groepen gewoon in de krop gezogen en bij andere taxa vrij los in de haren aan de achterpoten naar het nest vervoerd. Ruim 30 soorten in Nederland en België.

Groefbijen (onderfamilie Halictinae) laten zich niet makkelijk door een aantal duidelijk begrensde kenmerken onderscheiden van andere groepen bijen. Wel zijn de vrouwtjes te herkennen aan een smalle, onbehaarde lengtegroef op het laatste tergiet, die zijdelings door dichte beharing wordt begrensd. In tegensteling tot de zandbijen hebben groefbijen maar een kleine angel waarmee ze de mens echter wel mee kunnen steken. Bij de Halictinae heeft de voorvleugel een duidelijk gebogen basale ader. Ongeveer 55 soorten in Nederland en België.

De metsel- en behangersbijen uit de onderfamilie Megachilinae zijn makkelijk te herkennen aan de verzamelharen op de onderkant van het achterlijf. Deze bestaat uit rijen, schuin naar achter gerichte borstels, de zogenaamde buikschuier. Bij de koekoeksbijen van deze onderfamilie ontbreekt een dergelijk verzamelapparaat. Verder hebben alle Megachilinae in de voorvleugel 2 submarginale cellen van nagenoeg gelijke grootte; andere bijen hebben er meestal 3. Alle soorten leven solitair. Ruim 60 soorten in Nederland en België.

De bijen van de onderfamilie Melittinae zijn evenals de zand- en groefbijen moeilijk met enkele, treffende kenmerken te karakteriseren. De tong is iets langer dan bij de genoemde onderfamilies en de soorten zijn meestal gespecialiseerd op bepaalde bloemtypen. Ongeveer 8 soorten in Nederland en België.

Levenswijze
Een groot biologisch verschil met de graafwespen is dat bijen hun larven niet met dierlijk materiaal bevoorraden, maar met een mengsel van nectar en stuifmeel. De mengverhoudingen en consistenties kunnen per soort en zelfs binnen een soort erg verschillen. Al naar gelang het percentage stuifmeel en nectar verschilt is het mengsel vloeibaar tot kruimelig. Voor het verzamelen van stuifmeel zijn in de verschillende groepen bijzondere verzamelapparaten ontwikkeld, die meestal aan de achterpoten of aan het lichaam zitten. Er zijn ook bijen die helemaal geen stuifmeel verzamelen en als broedparasieten leven ten koste van het broed van andere bijen. Dit zijn de zogenaamde koekoeksbijen.

Behandelde taxa
Onderfamilie Andreninae (zandbijen)
Andrena fulva (vosje)
Andrena haemorrhoa (roodgatje)
Andrena hattorfiana (knautiabij)
Andrena vaga (grijze zandbij)
Panurgus calcaratus (kleine roetbij)
Onderfamilie Anthophorinae
Anthophora bimaculata (tweevlekkige sachembij)
Anthophora plagiata (schoorsteensachem)
Anthophora plumipes (gewone sachembij)
Epeolus variegatus (gewone viltbij)
Eucera nigrescens (zuidelijke langhoornbij)
Melecta albifrons (bruine rouwbij)
Melecta luctuosa (witte rouwbij)
Nomada flava (gewone wespbij)
Nomada lathburiana (roodharige wespbij)
Nomada rufipes (heidewespbij)
Xylocopa violacea (blauwzwarte houtbij)
Onderfamilie Apinae
Apis mellifera (honingbij)
Bombus lapidarius (steenhommel)
Bombus pascuorum (akkerhommel)
Bombus pratorum (weidehommel)
Bombus rupestris (rode koekoekshommel)
Bombus sylvarum (boshommel)
Bombus terrestris (aardhommel)
Bombus vestalis (grote koekoekshommel)
Onderfamilie Colletinae
Colletes cunicularius (grote zijdebij)
Colletus daviesanus (wormkruidbij)
Hylaeus hyalinatus (tuinmaskerbij)
Onderfamilie Halictinae (groefbijen)
Halictus quadricinctus (vierbandgroefbij)
Halictus subauratus
Lasioglossum pauxillium
Sphecodes soort (bloedbijen)
Systropha planidens
Onderfamilie Megachilinae (metsel- en behangers bijen)
Anthidium byssinum (grote harsbij)
Anthidium manicatum (grote wolbij)
Anthidium punctatum (kleine wolbij)
Anthidium septendentatum
Anthidium strigatum (kleine harsbij)
Coelioxys conoidea (grote kegelbij)
Megachile nigriventris
Megachile parietina (zwarte metselaar)
Megachile willughbiella (grote bladsnijder)
Osmia anthocopoides (zwaluwbij)
Osmia aurulenta (gouden metselbij)
Osmia bicolor (tweekleurige metselbij)
Osmia cornuta (gehoornde mestselbij)
Osmia inermis
Osmia mustelina
Osmia papaveris (papaverbij)
Osmia rufa (rosse metselbij)
Osmia rufohirta
Stelis punctulatissima (geelgerande tubebij)
Stelis signata (gele tubebij)
Onderfamilie Melittinae
Dasypoda hirtipes (pluimvoetbij)
Macropis europaea (gewone slobkousbij)
Melitta haemorrhoidalis (klokjesdikpoot)
Melitta tricincta (ogentroostbij)

Bijen (Familie Apidae)