Schietwilg RH. 1116
Volledige wetenschappelijke naam: Salix alba L.
Diagnostische kenmerken t.o.v. Salix fragilis: Bladen van onderen meer of minder dicht zijdeachtig behaard, van boven kaal tot zijdeachtig behaard, niet kleverig, in het midden het breedst. Twijgen in de jeugd behaard, niet gemakkelijk afbrekend, bruin, geel, of rood. Bladsteel aan de top zonder klieren. Honingklieren bij vrouwelijke bloemen meestal 1, langer dan de steel van het vruchtbeginsel. Kroon vaak tamelijk smal (als van een perenboom), van afstand vaak zilvergrijs lijkend; takken vaak onder een hoek van 30-50° opstijgend.
Tot 20,00. April-mei; begint 2 weken later te bloeien dan Salix fragilis. Fanerofyt.
Standplaats: Aan wegen, sloten en langs weilanden op vochtige, vruchtbare grond, veel in moerasbossen en grienden.
Zeldzaamheid en verspreiding: Algemeen. Veel aangeplant, vaak als knotwilg.
Ecologische groepen: H27, H28, H47, H48.
Plantensociologische groepen: WdH: 33A; 33Aa3.
Europees areaal: Subcentraal, +34444.
Opm. Ten onrechte wordt in FE aan enkele groepen cultivars de rang van ondersoort toegekend (bijv. 'subsp.' vitellina).
Opm. De bastaard Salix xrubens Schrank - BB. 1594 (Salix alba x fragilis) wordt aangeplant en komt vaker voor dan Salix fragilis.
Dit zijn de pagina's in de Sleutel waar deze soort wordt uitgesleuteld: Pagina 2330 Pagina 2332 |