Gladde iep RH. 1320
Volledige wetenschappelijke naam: Ulmus minor Mill.
Diagnostische kenmerken t.o.v. Ulmus glabra: Langste bladhelft aan de voet zonder een lobje dat op de bladsteel ligt. Bladsteel 5-15 mm lang. Bladen der korte zijloten kort toegespitst, ca. 5-10 cm lang, met 9-12(-14) zijnerven in de langste bladhelft, van onderen kaal of alleen in de nerfoksels behaard. Knopschubben kleurloos gewimperd. Jonge takken zacht behaard of kaal. Korte zijloten onder een scherpe hoek afstaand. Vrucht aan de top tot aan het nootje ingesneden.
Opm. Vaker dan 'zuivere' exemplaren van deze soort vindt men de uit cultuur afkomstige hybride Ulmus xhollandica Mill. | Hollandse iep - BB. 5191 (Ulmus glabra xminor). De meeste in Nederland voorkomende cultivars - met name de laanbomen - behoren waarschijnlijk tot deze hybride.
Tot 30,00. Maart-april. Fanerofyt.
Standplaats: Op vochtige tot vrij droge, voedselrijke, vaak kalkhoudende grond in bossen en struwelen.
Zeldzaamheid en verspreiding: Vrij algemeen, vooral in het Renodunaal, Haf-, Fluviatiel en Heuvelland district. Ook vaak aangeplant.
Ecologische groepen: H47, H48, H69.
Plantensociologische groepen: WdH: 38Aa".
Europees areaal: Subcentraal, 024244.
Opm. Zeer variabel; wordt door sommige auteurs in een aantal 'kleine soorten' verdeeld (waaronder Ulmus angustifolia (Weston) Weston, Ulmus coritana Melville, Ulmus plotii Druce en Ulmus procera Salisb.).
Dit is de pagina in de Sleutel waar deze soort wordt uitgesleuteld: Pagina 2302 |