Ruwe iep RH. 1895
Volledige wetenschappelijke naam: Ulmus glabra Huds.
Diagnostische kenmerken t.o.v. Ulmus minor: Langste bladhelft aan de voet met een op de steel liggend lobje. Bladsteel 2-5 mm lang. Bladen der korte zijloten lang toegespitst, 8-16 cm lang, met 12-18 zijnerven in de langste bladhelft, van onderen kortharig en meestal ruw. Jeugdbladen vaak in het bovenste deel min of meer 3-tandig. Knopschubben rossig gewimperd. Jonge takken met korte stijve haren op kleine knobbeltjes. Korte zijloten onder een bijna rechte hoek afstaand. Vrucht aan de top niet tot aan het nootje ingesneden.
Opm. Vaker dan 'zuivere' exemplaren van deze soort vindt men de uit cultuur afkomstige hybride Ulmus xhollandica Mill. | Hollandse iep - BB. 5191 (Ulmus glabra xminor). De meeste in Nederland voorkomende cultivars - met name de laanbomen - behoren waarschijnlijk tot deze hybride.
Tot 40,00. Maart-april. Fanerofyt.
Standplaats: Op vochtige, voedselrijke grond in loofbossen.
Zeldzaamheid en verspreiding: Zeldzaam in het Heuvelland en Subcentreuroop district. Ook aangeplant.
Europees areaal: Centraal, 244432.
Dit is de pagina in de Sleutel waar deze soort wordt uitgesleuteld: Pagina 2302 |