Blaassilene RH. 1206
Volledige wetenschappelijke naam: Silene vulgaris (Moench) Garcke
Diagnostische kenmerken t.o.v. Silene conica: Kelk witachtig of roodbruin aangelopen, met 20 fijne, groene, onderling verbonden nerven, kaal; kelkslippen driehoekig. Plaat van de kroonbladen tot de helft ingesneden, wit, zelden roze. Stengel en bladen meestal kaal.
0,30-0,60. Mei-sept. Hemikryptofyt.
Standplaats: Op matig vochtige, matig voedselrijke, kalkhoudende, vaak min of meer omgewerkte grazige grond, vooral aan bermen en op hellingen; ook langs de Geul in zinkweiden; vaak onbestendig.
Zeldzaamheid en verspreiding: Vrij zeldzaam.
Ecologische groepen: G43, G47kr.
Plantensociologische groepen: WdH: 22Aa1.
Europees areaal: Centraal, 444434.
Dit is de pagina in de Sleutel waar deze soort wordt uitgesleuteld: Pagina 18 |