Wilde hyacint RH. 1151
Volledige wetenschappelijke naam: Scilla non-scripta (L.) Hoffmanns. & Link
Diagnostische kenmerken: Bloemstelen aan de voet met een schutblad en een steelblad, het schutblad ongeveer even lang als de bloemsteel. Schubben van de bol vergroeid. Bloemdekbladen tot omstreeks het midden buis- of klokvormig samenneigend. Bloemtros meestal aan de top knikkend. Bloemen blauw, roze of wit, al of niet geurend. Helmknoppen meestal roomkleurig, soms blauw.
0,15-0,50. April-mei. Geofyt.
Standplaats: Op vochtige, voedselrijke grond in loofbossen, vooral aan de binnenduinrand, ook op buitenplaatsen en in eendenkooien.
Zeldzaamheid en verspreiding: Plaatselijk vrij algemeen in het Duindistrict langs de binnenduinrand; zeldzaam in het Heuvelland district; elders meestal verwilderd. Ook als sierplant in tuinen.
Ecologische groepen: H42, H47.
Plantensociologische groepen: WdH: 37Aa3; 38Aa".
Europees areaal: Marginaal, 030000.
Opm. De in Nederland voorkomende planten worden meestal opgevat als te zijn ontstaan door bastaardering van Scilla non-scripta en Scilla hispanica Mill., waarvan de laatste waarschijnlijk niet (meer) in zuivere vorm in Nederland voorkomt. Dat geldt o.i. eveneens voor de andere soort. Hoewel men plaatselijk wel enkele planten kan vinden met ogenschijnlijk 'zuivere' kenmerken van 1 der oudersoorten, lijkt het ons beter om zulke planten op te vatten als de uiterste vormen van de volkomen vruchtbare hybridenzwerm van de oorspronkelijke soorten. scillan4.jpg
Dit is de pagina in de Sleutel waar deze soort wordt uitgesleuteld: Pagina 76: gen. Scilla |