Duinroosje RH. 1083
Volledige wetenschappelijke naam: Rosa pimpinellifolia L.
Diagnostische kenmerken: Blaadjes aan de onderzijde (vrijwel) kaal, 0,5-2,5 cm lang. Kroonbladen crèmewit, 1-2,5 cm lang. Bottels donker bruinachtig-paars of zwartachtig. Takken dicht met 2 soorten stekels bezet; lang en recht, of korter en naald- of borstelvormig. Bloemen alleenstaand, zonder steelblaadjes.
0,10-0,90. Mei-juni, soms weer aug.-okt. Chamaefyt (Fanerofyt, Geofyt).
Standplaats: Op droge, matig voedselrijke, meestal kalkhoudende grond op duinhellingen, ook onder struweel en in heiden.
Zeldzaamheid en verspreiding: Plaatselijk vrij algemeen in het Duindistrict en langs het IJsselmeer, zeldzaam in Flevoland, zeer zeldzaam in het Subcentreuroop district. Elders wel merendeels aangeplant. Ook in cultuur als sierplant.
Ecologische groepen: G62, G63, H63.
Plantensociologische groepen: WdH: 30Ba2; 34Ac2.
Europees areaal: Subcentraal, +43131.
Dit is de pagina in de Sleutel waar deze soort wordt uitgesleuteld: Pagina 322 |