Wintereik RH. 1036
Volledige wetenschappelijke naam: Quercus petraea (Matt.) Liebl.
Diagnostische kenmerken t.o.v. Quercus robur: Bladsteel 10-25 mm lang. Bladvoet wigvormig. Bladen symmetrisch gelobd, van boven glanzend groen, van onderen vooral op de nerven met sterharen. Vruchten 3-7 bijeen, zittend of aan een zeer korte, gemeenschappelijke steel, eivormig, vers zonder overlangse strepen. De stam loopt door tot hoog in de kroon, deze is smaller en dichter dan bij Quercus robur.
Opm. De vruchtbare bastaard van Quercus petraea en Quercus robur (Quercus xrosacea Bechst.) is algemeen. Hij kan verschillende combinaties van kenmerken van de ouders vertonen.
Tot 30,00. Mei. Fanerofyt.
Standplaats: In bossen, op droge tot vrij vochtige, vrij voedselarme grond, vooral in heuvelgebieden.
Zeldzaamheid en verspreiding: Vrij zeldzaam in het Pleistoceen en Heuvelland district, elders zeer zeldzaam. Soms aangeplant.
Ecologische groepen: H42, H62.
Plantensociologische groepen: WdH: 37Aa; 37Aa2.
Europees areaal: Centraal, 044+11.
Dit is de pagina in de Sleutel waar deze soort wordt uitgesleuteld: Pagina 2211 |