Bosaardbei RH. 0529
Volledige wetenschappelijke naam: Fragaria vesca L.
Diagnostische kenmerken t.o.v. Fragaria moschata: Haren aan de zijdelingse of aan alle bloemstelen naar voren gericht, schuin afstaand of aangedrukt. Schijnvrucht aan de voet omgeven door een krans van haren, verder kaal, tot bij de voet met vruchtjes bezet. Bloemen tweeslachtig.
Opm. Fragaria vesca onderscheidt zich in niet-bloeiende toestand van Potentilla sterilis door de smalle spitse tanden, de niet-uitstekende beharing langs de bladrand, en meestal ook door de middelste tand van het eindblaadje, die buiten de naburige tanden uitsteekt.
0,05-0,30. Mei-juni, soms tot in de herfst. Hemikryptofyt.
Standplaats: Op vochtige tot droge, matig voedselrijke, vaak kalkhoudende grond aan bos- en struweelranden, op dijkhellingen.
Zeldzaamheid en verspreiding: Algemeen in het Renodunaal district, vrij algemeen in het Fluviatiel en Heuvelland district, elders vrij zeldzaam.
Ecologische groepen: G43, H43, H63.
Plantensociologische groepen: WdH: 18A; 31A; 38Aa6.
Europees areaal: Centraal, 444443.
Opm. Veel in cultuur om de eetbare schijnvruchten is Fragaria xananassa (Weston) Decne. & Naudin - BB. 2293; deze onderscheidt zich o.a. door de duidelijk gesteelde blaadjes en de meer dan 2 cm lange schijnvruchten.
Dit is de pagina in de Sleutel waar deze soort wordt uitgesleuteld: Pagina 400: gen. Fragaria |