Moerasspirea RH. 0526
Volledige wetenschappelijke naam: Filipendula ulmaria (L.) Maxim.
Diagnostische kenmerken t.o.v. Filipendula vulgaris: Onderste bladen met niet meer dan 5 paar grote blaadjes; blaadjes 2-8 cm lang, groen of van onderen witviltig, dubbel getand tot iets gelobd, het eindelingse groter, handvormig 3-5-spletig. Vruchtjes kaal, gewonden. Kroonbladen 2-5 mm lang, wit of roomwit. Wortels niet verdikt.
0,60-1,20. Juni-aug.(-herfst). Hemikryptofyt.
Standplaats: Op natte, voedselrijke grond aan waterkanten, in hooilanden en in lichte loofbossen.
Zeldzaamheid en verspreiding: Vrij algemeen; zeldzaam in het Estuariën-, Noordelijk klei- en Waddendistrict en in Flevoland.
Ecologische groepen: G27, R27, H27.
Plantensociologische groepen: WdH: 25Ab1; 25Ba2.
Europees areaal: Centraal, 444431.
Dit is de pagina in de Sleutel waar deze soort wordt uitgesleuteld: Pagina 384: gen. Filipendula |