Mannetjesvaren RH. 0421
Volledige wetenschappelijke naam: Dryopteris filix-mas (L.) Schott
Diagnostische kenmerken t.o.v. Dryopteris affinis: Bladen stevig kruidachtig, laat in de herfst afstervend, de onvruchtbare en vruchtbare ongeveer gelijk van vorm. Bladspil met licht goudbruine schubben. Bladslippen zonder donkere vlek bij de basis, ondiep gezaagd, de tanden niet stekelpuntig.
0,30-1,20. Juni-okt. Hemikryptofyt.
Standplaats: Op matig vochtige, meer of minder voedselrijke grond in meestal lichte loofbossen, aan beschaduwde greppelkanten, onder en tussen duinstruweel en op noordhellingen, ook op muren en in basaltglooiingen. Ook als sierplant in tuinen.
Zeldzaamheid en verspreiding: Vrij algemeen; zeldzaam in het Hafdistrict.
Ecologische groepen: H42, H43, H47, H62.
Plantensociologische groepen: WdH: 7Ab; 38A.
Europees areaal: Centraal, 244442.
Opm. Deze soort hoort tot een ook buiten Europa voorkomende groep van genetisch verschillende maar morfologisch moeilijk onderscheidbare, op Dryopteris filix-mas gelijkende taxa; van die taxa is tot dusverre alleen de hierna Dryopteris affinis in Nederland gevonden.
Opm. De bastaard Dryopteris xtavelii Rothm. - BB. 5306 (Dryopteris affinis x filix-mas) is intermediair tussen beide ouders, en alleen cytologisch of aan de hand van sporenonderzoek met zekerheid te onderscheiden [Natuurhistorisch Maandblad (Limburg) 77: 13].
Dit is de pagina in de Sleutel waar deze soort wordt uitgesleuteld: Pagina 2070 |