Spiesmelde RH. 0121
Volledige wetenschappelijke naam: Atriplex prostrata DC.
Diagnostische kenmerken t.o.v. Atriplex patula: Onderste bladen der hoofdstengel met terugwijzende tot schuin naar voren wijzende slippen (top der zijslip een hoek van 60°-120° met de middennerf makend). Steelblaadjes der vrouwelijke bloemen (breed) eirond-driehoekig, op de rug meestal knobbelig, zonder spiesvormige zijlobben.
0,10-0,90. Juli-sept. Therofyt.
Standplaats: Op open, vochtige, stikstofrijke grond, zowel op akkers op klei en langs wegen, als op vloedmerken, schorren en kwelders.
Zeldzaamheid en verspreiding: Algemeen.
Ecologische groepen: P48, bP40.
Plantensociologische groepen: WdH: 9Ba1; 17Bb1.
Europees areaal: Centraal, 144443.
Opm. Zeer variabel; in Nederland kunnen de volgende variëteiten worden onderscheiden (die o.i. ten onrechte als aparte soorten worden opgevat):
- Zijtakken vaak met enkele vrouwelijke bloemen in hun oksels, een aantal van deze bloemen duidelijk (tot 2 cm) gesteeld; steelblaadjes van die bloemen vaak met iets uitspringende netvormige nervatuur, dun. Onderste bladen met wigvormige voet. 0,10-0,40. Op open, zandige of kleiige plaatsen langs de kust, meestal binnendijks. Zeldzaam in het Maritiem district. [Gorteria 11: 119 -Atriplex longipes Drejer]: -> Atriplex prostrata var. longipes (Drejer) Meijden - BB. 2411
-Zijtakken meestal zonder of met een enkele vrouwelijke bloem in hun oksels, deze vrijwel zittend, de steelblaadjes zonder uitspringende nervatuur, vaak iets vlezig. Onderste bladen vaak met recht afstaande of terugwijzende slippen. 0,20-0,90. Algemeen. WdH: 9Ba1; 17Bb: -> Atriplex prostrata var. prostrata - BB. 2394
Dit is de pagina in de Sleutel waar deze soort wordt uitgesleuteld: Pagina 1199 |