Startpagina | Zoeken | Soort identificeren | Taxonomische boom doorbladeren | Quiz | Over deze website | Geef uw mening
 
B2. Eulittoraal

In het intergetijdengebied is de blootstelling aan lucht en hierdoor de mate van uitdroging van organismen de primaire factor die de zonering bepaald. Hoog in de zonering zitten wieren en dieren die goed tegen uitdroging kunnen; lager zitten organismen die er minder goed tegen kunnen. Factoren die de zonering beïnvloeden zijn de aard van de stenen, expositie van de zonering met betrekking tot de zonnestand, helling van het talud en de sterkte van de golfslag.
Op een matig geëxponeerde dijk is globaal een zonering zichtbaar van darmwiersoorten (Blidingia minima en Enteromorpha -soorten), de kleine zee-eik (Fucus spiralis), blaaswier (Fucus vesiculosus) en de gezaagde zee-eik (Fucus serratus). Als ondergroei van deze wieren kunnen over de gehele zonering zeepokken (o.a., Semibalanus balanoides en Elminius modestus) worden gevonden. De Japanse oester (Crassostrea gigas) komt alleen in de onderste delen van de zonering voor. Onder beschutte omstandigheden komt knotswier (Ascophyllum nodosum) in de blaaswierzone (Fucus vesiculosus) voor en zijn kleine roodwiertjes minder algemeen in de lagere delen van de zonering. De hoogte en breedte van de verschillende zones komt in principe overeen met de verschillende waterhoogten, zoals hoogste hoogwater bij springtij, hoogste hoogwater bij doodtij, laagste laagwater bij doodtij en laagste laagwater bij springtij. Door de dagelijkse ongelijkheid van het getij aan onze kust, is deze correlatie niet altijd even duidelijk.